Toelichting op werkwijze

Ik beoefen verschillende genres: collage, maquette/reliëf, stilleven, portret, model, interieur, landschappen en stadsgezichten. Op locatie geschilderd of naar aanleiding van foto’s, in verschillende technieken. Het specifieke thema bepaalt de werkwijze, er is geen absolute stijl van werken.

Voor landschappen en stadsgezichten werk ik buiten, op klein formaat in aquarel/gouache of soms in olieverf. Portret of interieur schilder ik (bij voorkeur) op locatie in meerdere sessies, meestal in olieverf en/of aquarel. De modeltekeningen zijn altijd live getekend, bij voorkeur één op één.

Het autonome werk is een apart genre, ook inhoudelijk. Dit wordt onder andere gemaakt met behulp van stillevens en/ of maquettes met zelf gemodelleerde objecten, zoals bij voorbeeld reliëfs. De objecten zijn geïnspireerd op foto’s uit bladen of filmstills. Ik houd ervan plaatjes om te zetten in reliëfs, gemaakt van verschillende materialen en deze reliëfs weer na te schilderen.

Mijn foto/collageschilderijen worden vervaardigd volgens een vergelijkbaar omslachtig procedé van in dit geval meerdere schilderijen over elkaar heen geschilderd: het zogenaamde übermahlen. Ik schilder (abstract-) figuratief omdat mijn beeldmateriaal figuratief is, en niet omdat ik in de figuratieve traditie wil werken. Ik ben geen restaurateur van een traditie.

Inhoudelijk voel ik me verwant met de vroege avant-garde van de 20ste eeuw die samen met andere stromingen in de ban werd gedaan door het Nostalgisch Fascisme. Met de naoorlogse avant-garde voel ik weinig affiniteit, mede omdat deze nooit getoetst is door concrete repressie en per direct al hyperkapitalistisch was. Het was altijd al de kunst van het grote geld voor de bourgeois. In het huidige tijdperk van het Consumptieve Fascisme (hyperkapitalisme) is het voor mij een thema/obsessie om, het hart ervan, het ultieme teken van dit gegeven, de pornografie, te transformeren in mijn eigen beeldtaal en te bewerken met mijn eigen beeldende middelen. Voor mij is deze houding het meest voor de hand liggend als verdediging. Ik wil het pornografisch hart uitrukken en het me eigen maken. Door deze deconstructie maak ik mijn eigen leven dragelijk en beleef er veel plezier aan.

 

Inspiratiebronnen

 

Max Beckman: “Liggende vrouw met lelies”, 1931

Zelf zou ik het noemen: “lezende vrouw in lingerie“, wachtend (en lezend) op een klant? Het is een vrouw in functie. De vorm van het schilderij is sterk gedeformeerd, alles is fors aan de vrouw maar toch aannemelijk. Het schilderij heeft geen stofuitdrukking maar dat stoort niet; de kleuren zijn verzadigd en uitgesproken tegengesteld. Aan elkaar (hard) maar toch in een tonalistische eenheid. Er is sprake van een gesloten beeld, het beeld treedt niet uit. De ruimte is ondiep en plastisch gemodelleerd als een reliëf. De vrouw op het schilderij is rustig en kalm koel zou ik zeggen. De vrouw is zeer aanwezig.

Edvard Munch: “Huilend naakt”,

op bed”, zou ik er zelf aan toevoegen. Door de kleuren en de vorm is het werk sterk lichamelijk. De vorm is vereenvoudigd maar blijft naturalistisch. De kleuren zijn overdone verhevigd. Het is ook een heel naakt schilderij, plastisch geschilderd, je kan het naakt omvatten. Door de plastische naaktheid is het beeld ook dubbelzinnig. Haar kwetsbaarheid trekt ook aan, er zit ook genot in het beeld. In de verfstreek zit veel beweging, de onrust is voelbaar. Er is weinig afstand tussen kijker (voyeur) en model. De naaktheid voelt realistisch aan maar is opmerkelijk expressionistisch geschilderd.

Edward Hopper: “Vrouw in de zon”.

Dit is een werkelijk treffende titel, een titel die de lading dekt. Hopper is voor mij als een jeugdherinnering, een idool van heel lang geleden. Een rokende naakte vrouw in een kamer met raam met binnenvallend zonlicht. Het sentiment kan niet duidelijker. Het clair obscur (licht en donker) maakt het schilderij tot een icoon. De plak zonlicht met de lange schaduwen in combinatie met de staande wachtende vrouw in clair obscur, de ruimte die ze inneemt in de kamer. Er is ook nog een opengeslagen bed en er zijn uitgetrapte schoenen. Dit zijn literaire details die een verhaal zouden kunnen vertellen. Toch is het schilderij dubbelzinnig; het verhaal laat zich niet echt raden. Alle elementen in het beeld vormen een echte synthese, een modern erotisch beeld. Het is de aanwezigheid die dit schilderij heel modern maakt (en psychologisch).

Chaim Soutine:’Engelse vrouw”.

Het schilderij is uitgesproken expressionistisch geschilderd wat voor mij voor het schilderen staat. Zo verlang ik te schilderen. De sterke beweging in de verf, de uitgesproken deformaties die uit het schilderen en waarnemen voortkomen. De verfhuid van het schilderij, het licht en de kleuren die toch tonalistisch en ruimtelijk blijven, de sfeer. Alles aan Soutine is mooi zou ik zeggen. Het werk is verwant met dat van Francis Bacon maar veel minder theoretisch. In tegenstelling tot Bacon is het model naar de natuur bekeken maar verhevigd weergegeven, het is een lichamelijk waarnemen dat heftig is opgevoerd met heel veel adrenaline in je lijf maar het blijft lichamelijk waarnemen.

Alice Neel: “moeder en kind”.

Afbeeldingen van schilderijen van Neel ken ik uit de late jaren 80 van de vorige eeuw. Deze maakten toen een grote indruk op mij en als kunstenaar was ze evenals Lucian Freud een soort boegbeeld voor me . Een kunstenares waarmee ik me goed kon identificeren. Haar schilderijen zag ik voor het eerst in het echt op de tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum in 2016. En het viel niet tegen! Moeder en kind is sterk omlijnd met veelal blauwe lijnen. Binnen de lijnen is het plastisch gemodelleerd in scherven van verf. Ook is het schilderij onaf; onvoltooid kent het veel lege vlakken. De nadruk, expressiviteit, valt daardoor wel op de vrouw en het kind. De voorstelling is gecentreerd. Alice Neel schilderde portretten belangeloos; ze schilderde als het ware portretten van mensen uit interesse voor mensen, en zag deze niet speciaal als een verdienmodel. Omdat het geen portretten in opdracht zijn, speelt de ijdelheid van de geportretteerde dus geen rol. De nadruk ligt daardoor op de autonome schilderkunst. De onvoltooidheid van Neels schilderij doet psychologisch aan; moeder en kind zijn ook onvoltooid, dat is een modern idee. Het beeld is onthullend (v.g.l. met de late Dix uit de jaren 60). Zelf denk ik kijkend naar Neels, Moeder en kind, vrij naar Lacan: Het kind is de Fallus van de vrouw, iedere vrouw is besmet door de moeder.

Lucian Freud: “Naked portrait with reflection”.

De eerste afbeelding die ik eind jaren 70 van een werk van Freud zag was een zelfportret (self portrait with reflection) in zwart-wit afgedrukt. Het was een eye-opener; ik begreep opeens wat ik zelf wilde maken en dat dit werk radicale (moderne) schilderkunst was. Dit naakt op de bank (via een spiegel?) is synoniem voor zijn oeuvre. Wat me er in aantrekt is de sexueel animale sfeer van de vrouw en omgeving. De vrouw is heel erg lichamelijk geschilderd op een materiële manier. Het hele schilderij is fysiek aanwezig; zowel het lichaam als de fysieke omgeving. Het voelt ook aan als een lichamelijk waarnemen. De voorstelling is heel letterlijk zonder verwijzing of symbolisering. Het is naakt, juist om het naakt. Dat spreekt me aan; dit naakt kun je realistisch noemen. 

Rodin: “Femme Acroupie”

Dit prachtige beeld is volkomen lichamelijk door de gemodelleerde materie. Haal je de materie weg, bijvoorbeeld door een model in dezelfde houding te laten poseren, maar dan gefotografeerd, dan is het ballet. Het animale aspect van het beeld wordt uitgedrukt door de materie; het is als een lichaam dat je kunt omvatten, kneden, aaien, enz. enz. Rodin heeft me laten zien dat beeldhouwkunst schilderkunst is. Dat een schilderij in tegenstelling tot de foto een plastische zaak is, een driedimensionale kwestie. Sterker nog, het plastische is het erotische, het is de plastiek die de erotiek uitdrukt. Het ultieme plastische schilderij is het reliëf. Hol en Bol op het platte vlak.

Spilleart:

Spilleart heeft me laten zien dat alles wat aanwezig in onze fysieke wereld te schilderen is. Spilleart is eigenlijk onderwerploos, dit beeld een spiegel met plant en inktpot ziet er uit als een toevallig stilleven. Dat is het ook, het is een hoekje uit z’n atelier of kamer. Ik zou het een zuigend beeld noemen, monumentaal, dus groots, in sterk licht en donker met veel zwarten, het oplichten van de witten van het schoteltje en inktpot is heel magisch. Spilleart is de schilder van de nacht en de schilder van de geest, kenbaar en rondspokend bij jezelf, onkenbaar en rondspokend bij de anderen. Als het subject lichaam met geest is dan ligt bij Spilleart de nadruk op de geest. Spilleart inspireert me altijd om waar ik ook ben iets te tekenen of te schilderen. Aanwezigheid is conceptloos (themaloos) of moet je zeggen eenzaamheid is conceptloos (ideeloos) want zijn beeld is volstrekt solitair. Dat solitaire gevoel spreekt me erg aan. Tot de zaken komen betekent voor mij solitair zijn.

Bellmer:

Bellmer opende voor mij de weg naar de obsceniteit /pornografie. Het obscene beeld als schilderkunstig thema. Van Bellmer heb ik begrepen dat surrealisme zonder de erotiek alleen maar vreemd is, b.v. absurdisme. Juist door de erotiek bij Bellmer wordt de surrealistische vervreemding glashelder. Hij toont voor mij aan dat de droom/nachtmerrie altijd al erotisch was (erotiek en pornografie is voor mij lood om oud ijzer). We zien een meisje met strik in een onmogelijke anatomie, opgebouwd uit twee spiegelbeeldige lichaamsdelen, de anatomie is grotesk met sterk fetisjistisch uitvergrote intieme delen. Met als centrum een bolle kinderbuik, de ogen staan leeg. De pop is heel erg object/dingachtig, het heeft iets lugubers. Maar is de seksuele beleving dan niet ook dingachtig? Bellmer raakt Lacan’s definitie van de seksualiteit, Libido+Doodsdrift = Genot, maar ook Batailles ‘de innerlijke ervaring’. Bellmer behoorde tot het surrealisme, een stroming verboden door het nostalgisch fascisme. Zijn werk zou ook verboden zijn geweest onder het huidige consumptieve fascisme als hij al niet was bijgezet in de kunstgeschiedenis. Het surrealisme van Bellmer is de omkering van het pornografisch hart, de verborgen achterkant van de burgerlijke moraal, de seksuele mores, (macht =genot). Wat Bellmer ons voorschotelt is de vervreemding, de droom, de lust en de angst, de onmogelijke anatomie. Kortom; Het Onkenbare Ding in al zijn verontrustende naaktheid…

 

Algemene bijdragen:

 

De taboeloze wereld van seks en verlatenheid volgens Bert Osinga (1953).

Hij schildert het liefst vrouwen. Naakte vrouwen, verzonken in seksuele handelingen, of uitdagend liggend op de bank, wijdbeens, soms met vibrator. Voor Osinga is er geen taboe. Hij is nu eenmaal eindeloos gefascineerd door vrouwen en seks. ”Aan seksualiteit zit een demonisch, angstaanjagend aspect dat mij fascineert”, legt hij uit“. Bovendien zijn vrouwen een goede metafoor voor mijn stemmingen. En zijn ze , net als een landschap, een dankbaar schilderkunstig onderwerp.”

Zijn pornografische schilderijen zijn heftig en direct. Ze sleuren je mee in de wereld van treurnis en  eenzaamheid. Zijn bezoek aan prostituees geeft hem inspiratie. “ Prostitutie is altijd een confrontatie met jezelf. Ook heerst in de bordelen een mooie existentiële sfeer. De business is duidelijk. Het gaat om geld en om wat jij  wil en wat kan.m Ik hou van dat concrete, het primitieve wanneer het instinct overheerst.”

Het zijn de groezelige sferen van een bordeel, de seks en de verlatenheid die Osinga schildert. “Ik schilder uit noodzaak omdat de agressie en destructie die inherent zijn aan seks, wil bezweren” verklaart hij. Zijn schilderijen zijn druk. Verschillende beelden lopen door elkaar heen. Zorgvuldig probeert hij in de chaos aan beelden de juiste compositie te verkrijgen. Wanneer hij aan het werk gaat, treedt hij zijn psychische wereld binnen die voor hem onverklaarbaar is. “ Het is oneindig complexer dan simpel vluchtig  naar de waarneming schilderen”.

Aanvankelijk schilderde hij naar echte modellen. Maar de relaties met zijn modellen werden steeds inniger, bijna therapeutisch en leidde hem af van het schilderen. Nu verzamelt hij plaatjes uit tijdschriften van vrouwen maar ook andere onderwerpen die hem aanspreken. “Ik ben verslaafd aan tijdschriften het maakt niet uit wat”.  “Ik maak ook veel foto’s die ik later weer kan gebruiken“. Hij plakt de plaatjes en foto’s op karton, knipt ze uit en maakt er vervolgens een driedimensionale compositie van. “Dit zijn stillevens, reliëfs die ik als decor gebruik voor mijn latere schilderijen”.

Het uitgangspunt voor deze kartonnen bouwwerken zijn de reliëfs zoals de ‘Poort van de hel’ van Rodin en ‘de dans’ van Carpeaux. Ik neem hun werk als voorbeeld , omdat ik eigenlijk ook een klassieke, plastische schilder wil zijn”.

Middenin het kartonnen  bouwwerk staat een paard, zonder duidelijke context of raast een auto door het beeld. Op een andere foto verschijnt een naakte vrouw in een uitdagend standje of zien we alleen haar billen. Het zijn flarden van gedachten,  impressies die Osinga in een collage samenbrengt. Daarna maakt hij er een schilderij van. Surrealistisch is het beeld niet, want Osinga zoekt niet naar bewuste vervreemding. ”Het heeft ook niet met dromen te maken want ik droom bijna niet . Het beeld bouwt zich intuïtief, zonder voorbedacht idee op”.

Van een heel andere orde zijn de landschappen die Osinga schildert. De rust en de sereniteit van deze landschappelijke  impressies staan in contrast met de drukke, associatieve schilderijen die hij van vrouwen maakt. Zelf vindt hij deze schilderijen maar saai. “ Het gewone tekenen en schilderen gaat me te gemakkelijk af”. Ik noem dit dan ook het ‘domme schilderen’. “Het zou mooi zijn wanneer ik me alleen op landschappen zou richten, ik zou er vast ver mee komen”.  

Tekst Sandrine van Noort,  SBK  Amsterdam 2006

 

 EEN PORNOGRAFISCHE ORPHEUS

Pornografie is net als slapstick een vorm van pure nonsens, die -juist omdat zij dat is-de geest verkwikt. Zij is echter niet bedoeld om te lachen maar om de zinnen te prikkelen. Dat is een minstens even eenvoudige en goedkoop te verwezenlijken doelstelling. Mateloosheid is haar eerste kenmerk. Zonder zich iets gelegen te laten liggen aan vakkundig raffinement, zonder enige voorkeur voor het uiterlijk van de modellen of de aard van der rekwisieten, verstoken als zij is van welke spirituele pretentie dan ook, is pornografie de verbeelding van een dyonysische wereld, aanstekelijk oppervlakkig, opmonterend onbenullig, die het allerbreedste scala is aan denkbare varianten op allerschrielste thema dat de menselijke geest beheerst. Omdat de pornograaf niets anders laat zien wat hij bedoelt en omdat wat hij bedoelt een open deur is, kun je zeggen dat zijn bedoeling geen betekenis heeft. De betekenis zou erotiek kunnen zijn, of seksuele geladenheid, maar de eindeloze herhaling, door niets gegorrigeerd of afgeremd, heft deze op. De pornograaf blijft even anoniem verwisselbaar als zijn modellen, ook hij is slechts consumptie. Hij heeft niets gecreëerd en geen enkel spoor achtergelaten. Daarom is pornografie nonsens in de ware betekenis van het woord: ‘zonder zin’.

De geest , moe van het zich aanpassen aan of zelf ontdekken van de betekenis der dingen- de eerste culturele opdracht voor elk individu zoekt zijn verzetje en kan dit vinden in onder andere pornografie. Maar aangezien pornografie een sterk beroep doet op het seksueel verlangen, terwijl haar wereld niet zinnebeeldig is en dus geen mogelijkheid tot identificatie biedt (zoals slapstick wel doet, waar het gehannes van de dikke en de dunne staat voor eenieders geklungel) is zij een verdovend middel, dat het oppervlakkig straatbeeld feestelijk uitdost,bijna als bloesem in de lente, maar waartegen men zich te weer moet stellen om er niet aan ten onder te gaan.

Bert Osinga stelt zich tegen porno te weer door haar te schilderen. De veelheid van de herhaling, die het pornografisch beeld in feite onzichtbaar maakt, daar het ene plaatje onmiddellijk naar het volgende doet verlangen en ons doet struikelen over onze haast, wordt door hem geconsolideerd in een schilderij dat afzonderlijk is te bekijken, omdat er met zorg aan gewerkt is (soms jarenlang, keer op keer gewijzigd) dat een compositie heeft, een stijl en een onderwerp. Wat pornografie ten enenmale mist; persoonlijke stijl, wordt bij hem juist een beginselverklaring die meegroeit met zijn levenservaring en kunstbesef. De punkachtige agressiviteit, met toch ook wel weer zijn vrolijke kanten uit de periode 1980 –’82 vroeg om een losse expressionistische aanpak, terwijl zijn recenter werk hermetisch is, compact van vorm, strak omlijnd, ingeklemd door toon, kleur en deformatie, gevolg enerzijds van een toegenomen analytische waarneming, anderzijds van een minder laconieke levenshouding. Gebleven is de ongeduldigheid van de schilder, de opvallende haast om het beeld te beëindigen en zich te storten op een nieuw. Dit wordt hem door velen kwalijk genomen, want de liefhebbers van de klassieke schilderkunst – en dat zijn toch diegenen die gevoelig zijn voor Osinga’s peinture vinden haastige spoed nooit of te nimmer goed.

Ik ben het daar volstrekt mee oneens. De motor van Osinga’s kunst is zijn pornografische obsessie. Die kan onmogelijk in alle stilte en rust evenwichtig verwerkt worden. Haast is geboden, want de haast verraadt dat de schilder weigert afstand te nemen tot zijn obsessie, wat zijn uitspraken daar- over des te authentieker maakt. Een rauwe blues gezongen door Fischer Dieskau, begeleid op de bottleneck-gitaar, zou volslagen absurd zijn. Wie Osinga zijn haast wil ontnemen, ontkent diens inspiratie. Zoiets gebeurt in feite natuurlijk niet om picturale maar om moralistische redenen, want pornografie geeft geen pas.

In de schilderkunst , echter, geeft alles pas . Wat nog niet is, kan komen. Mits het maar goed gedaan wordt. Voor elk picturaal motief geldt dat de schilder ervan doordrenkt moet zijn, wil hij iets van betekenis in beeld brengen, of dat nu een landschap is, een stilleven of een pornografische realiteit.

De haast maakt Osinga verwant aan de door hem bewonderde Soutine. Soutine was een impressionist, een analyserende observator, die echter na lang treuzelen en er omheen draaien tot ontlading kwamen in een woeste driftbui, intuïtief, in minder dan geen tijd zijn beeld vond. Bert Osinga heeft Soutine-achtige momenten, driftig impressionistisch en komt daardoor expressionistisch over. Maar zulke momenten heeft hij niet aanhoudend, in de meeste gevallen is hij een constructeur. Dat is een groot verschil met Soutine. Zijn behoefte aan ingewikkelde composities, hermetisch gesloten door lijn, toon en kleur, doet hem verwant zijn aan Max Beckmann, maar hij mist diens spirituele pretenties. Eigenlijk heeft hij geen pretenties. Daarin gelijkt hij op de anonieme pornograaf. Het enige wat hij wil is seks schilderen. Ik vind dat heel bijzonder, want ondanks het royale aanbod aan erotische kunst, zie ik bijna nergens zo’n onbevangen overgave aan de ‘dierlijke’ wellust, die uiteraard zeer menselijk is. Er spreekt plezier uit, ondanks de eveneens zichtbare bittere verdediging tegen de nooit aflatende verguizing van zijn passie. Ik vrees dat weinig mensen mensen het talent beheersen om werkelijk plezier te beleven aan die primitieve, bestiale seks. Bert Osinga hoeft niet jaloers te zijn op de wereld die nauwkeurig de richtlijnen uitstippelt van het erotisch toelaatbare en daarmee het patent op de erotiek voor zichzelf opeist. Het precies andersom: de wereld moest jaloers zijn op Bert Osinga, die zo onwrikbaar trouw blijft aan wat hij kennelijk beheerst : plezier.

Bert Osinga heeft voor mij altijd het bijzondere van Amsterdam vertegenwoordigd. Amsterdam is een stad die zoveel verdraaglijker is dan andere plaatsen, louter omdat zij zo sexy is, zo onbekommerd ordinair en ook weer zo verscheiden daarin. Dat maakt haar uiteindelijk lief. De uitbundige primitiviteit die ons weer in de kinderluiers plaatst, in de besmeurde hemdjes, het zorgeloze gemoddekot (de anale vrijheid waar Sigmund Freud op doelde) te allen tijde verdrukt door de cultuur, ligt in Amsterdam voor het oprapen, met haar homo-scene, haar rosse sfeer en de Albert Cuyp markt. Tot en met de punkgeneratie was dit beeld vanaf de jaren zestig geïnspireerd op de jeugd, maar nu ook deze subcultuur dood is, blijft het straatbeeld toch even opbeurend extravert.

Dat wijst erop dat Amsterdam van zichzelf bezield is, steeds opnieuw in staat is om het opzichtige ordinaire uit haar bevolking- autochtoon of allochtoon- op te roepen.

Ooit was het de Rotterdamse Breitner die met zijn dienstmeiden op de Dam de geniale brutaliteit van Amsterdam in de gaten had. Nu is het Bert Osinga die laat zien dat er met het ordinaire Amsterdam echt te leven valt. Amsterdam is grijpbaar, want haar eeuwenoude ziel heeft een huid: pokdalig en bultig van de vele verschillende lagen die zich over elkaar hebben afgezet, maar met de fonkelende stofuitdrukking van al het buitenissige dat er in de wereld te koop is. Het is alsof ik een schilderij van Bert Osinga beschrijf met zijn verfhuid en wat daarmee in beeld komt. Lief en brutaal.

Een brutaal mens heeft de halve wereld. Maar een brutaal mens verbergt iets. Gevoelsnuances , angst, twijfel, verdriet, worden verdrongen achter een altijd schreeuwerige, onpersoonlijke opgewektheid. Op erotisch terrein, dat in het sociale verkeer enkel acceptabel is indien het succesvol is, heeft iedereen een goede reden om zich brutaler voor te doen dan men is , want wie kan zeker zijn van zijn talent hiervoor? Ruwe grappen, gepeperde taal, bluf, maar ook timide terughoudendheid, eufemistisch omkleed, zijn bedoeld om niet te vragen naar de allerpersoonlijkste geheimen. Wie deze zonder blikken of blozen, blootlegt is een barbaar; hij is indiscreet. Discretie is de mantel der liefde. De Engelse schilder Stanley Spencer moest zijn leven lang ervaren hoe het is om zich zonder deze mantel te vertonen: zijn liefde werd nooit erkend. Zozeer ligt het op eenieders lippen toe te geven dat de erotiek een debacle is, terwijl de angst voor de totale afwijzing ons de kaken des te straffer op elkaar doet klemmen, dat, wie zijn mond voorbij praat, mag rekenen op de collectieve walging.

De extreemste vorm van discretie is pornografie; het erotisch succes als kostelijk hyperbool. Haar tegenpool is de melancholie; het cultiveren van de afwijzing, het heiligen van de eenzaamheid. De romantiek van de melancholicus is net zo min waar als de opgewektheid van de pornograaf. Herfst en lente zijn de twee seizoenen van het erotisch verlangen, van de suggestie. Zomer en winter (bloei en dood) die van de realiteit. Het erotisch verlangen heeft een Januskop: van voren melancholisch van achteren pornografisch. Hoewel tezamen gericht op dezelfde euforie, alom tegenwoordig, gunnen deze twee aangezichten elkaar het licht in de ogen niet. Het ene wil betoverd worden (geen schonere Geliefde dan Diegene Die zich afwendt) en de andere wil worden opgehitst (geen lekkerder dier dan het plaatje). Wie van de twee is het meest hypocriet of stekeblind?

Wat voor kunst moeten wij beoefenen om van de goden gedaan te krijgen dat wij in de onderwereld mogen afdalen, als levend wezen? En waarom zouden wij dat willen?

De onderwereld is subversief, zij is immers de tegenkant van de moraal, waaraan wij ons dienen aan te passen, zodat wij nooit vrij zijn en dus niet kunnen genieten. Seksualiteit, een en al genot, eist tomeloosheid. Dat mag kinderachtig zijn, maar zo is onze lust nu eenmaal. Volwassen lust bestaat niet. Het talent om plezier te beleven aan seks, dus om te improviseren, is in principe eenieder gegeven, maar hoe verder wij gevorderd zijn in het zingen van bladmuziek, hoe afhankelijker wij worden van de tonatie. Des te minder zal onze zangkunst de goden behagen, want de goden willen vrije zang. Het moge duidelijk zijn dat, wat dit betreft, de pornografische minnaar niet beter af is dan de romantische, want of men nu zijn fantasie laat leiden door banale cliché’s of door mystificatie van de ander wiens wensen men hoogacht, Altijd houdt men zich aan de een of andere partituur. De pornograaf maakt zich daar niet druk over, want hij zingt toch niet. Hij interpreteert niets, laat staan zijn eigen genre.

Bert Osinga die zich heel bewust is van de wetten van de klassieke schilderkunst, is zo tegendraads om de pornografie te interpreteren. Hij doet alsof het een even legitiem motief is als een landschap, het portret of het stilleven. Ja alsof het dit alles tezamen is. Daarmee ontkracht hij het aard van het beestje, want zijn porno is wel zinnebeeldig, zij staat voor al zijn persoonlijke stemmingen die hij als introvert gevoelsmens op geen andere dan op deze manier naar buiten wil brengen. Wie gewend raakt aan het idioom, ziet zelfs op den duur de pornografie niet meer, maar ziet composities van stemmingsbeelden, die zich ontwikkelen doordat zij bijgestuurd worden, inderdaad landschappen, portretten en stillevens. Zo zoekt hij steeds nieuwe bezielde melodieën op eenvoudige, banale schema’s, als een rock & roll zanger.

Wat hij in de onderwereld te zoeken heeft, Eurydice of iets anders, is hem, waarschijnlijk, een even groot raadsel als de kijker. Maar over een ding zouden we het eens kunnen zijn: voor de goden maakt het niet uit of Orpheus nu zingt met de intellectuele subtiliteit van Fischer Dieskau of de rauwe stem van Van Morrison.

Toine Moerbeek Amsterdam 1995